4.1.2 Waarderingsgrondslagen
Algemene grondslagen voor waardering en resultaatbepaling
De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in het Besluit begroting en
verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin door de gemeenteraad de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld.
De in de onderhavige jaarrekening gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit van de gemeente.
Om de grondslagen en de regels voor het opstellen van de jaarrekening te kunnen toepassen, is het nodig dat de gemeente over de verschillende zaken zich een oordeel vormt en dat het college een schatting maakt die essentieel kan zijn voor de in de jaarrekening opgenomen bedragen. Indien het voor het geven van het op grond van het BBV vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de betreffende jaarrekeningposten.
Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening
Algemeen
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vinden plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij de desbetreffende balanspost anders is vermeld, worden activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden.
Continuïteit
De jaarrekening is opgesteld op basis van een continuïteitsveronderstelling. Bij het opmaken van de jaarstukken hebben wij de risico’s met betrekking tot de continuïteit geëvalueerd aan de hand van de, tot het moment van vaststellen van de jaarstukken, beschikbare informatie waaronder de begroting en de financiële kengetallen inclusief de weerstandsratio.
De gemeente beschikt over (meer dan) voldoende weerstandsvermogen om de onderkende risico’s op te vangen. Voorts laat de liquiditeitsprognose zien dat wij in staat zijn om in voldoende mate aan onze directe betalingsverplichtingen te voldoen. De gemeente Almelo beschikt over een structureel en reëel sluitende begroting voor 2026. De meerjarenraming 2027-2028 laat vanaf 2028 een structureel tekort zien. Gelet op de onzekerheid ten aanzien van de gemeentefinanciën monitoren wij dit tekort met verscherpte aandacht binnen onze P&C-cyclus.
Op basis hiervan nemen wij het standpunt in dat er thans geen materiële onzekerheid dan wel onzekerheid bestaat rond het voortbestaan van de gemeente. In aanvulling hierop merken wij op dat de continuïteit van gemeentelijke overheden in zijn algemeenheid nimmer in het geding is, gelet op het vangnet, zoals omschreven in artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet (Fvw).
Grondslagen resultaatbepaling
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.
De bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van het stelsel van baten en lasten, met uitzondering van de stortingen en onttrekkingen aan reserves gedurende het boekjaar overeenkomstig raadsbesluiten. De invloed hiervan op het rekeningresultaat is verder in de jaarrekening nader toegelicht.
Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.
Met betrekking tot de verwerking van de algemene uitkering heeft de commissie BBV een stellige uitspraak gedaan. Deze uitspraak houdt in dat in de jaarrekening de algemene uitkering wordt opgenomen conform de in het jaar laatst gepubliceerde accresmededeling.
In de jaarrekening wordt het bedrag verantwoord dat in het verantwoordingsjaar aan afdrachten van het CAK is ontvangen. De reden hiervoor is dat er bij het CAK sprake is van achterstanden in het verwerken van de opgelegde en nog op te leggen eigen bijdragen, waardoor er geen betrouwbare schatting is te maken van de ultimo verantwoordingsjaar nog op te leggen en door gemeente te ontvangen eigen bijdragen.
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende vakantiegeldaanspraken. Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen.
Algemene grondslagen voor de Rechtmatigheidsverantwoording
De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de ‘Verordening financieel beleid, beheer en organisatie’ (financiële verordening) en op basis van de kadernota rechtmatigheid. Dat betekent dat:
- De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van
art. 17 Financiële-verhoudingswet;
De financiële rechtmatigheid, waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat:
- Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op
18 november 2025 door de raad is vastgesteld; - Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over- en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan de raad zijn gemeld.
- Ten aanzien van het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium (M&O criterium) is de nota M&O beleid van onze organisatie leidend bij het voorkomen en opsporen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.
De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de kadernota rechtmatigheid 2025 van de Commissie BBV alsmede onze eigen financiële verordening. Dit betekent dat:
- Een verantwoordingsgrens van 2 % (zijnde 8,4 miljoen euro) is gehanteerd waarboven cumulatieve fouten en onduidelijkheden in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen;
- Een rapporteringsgrens van 150.000 euro is gehanteerd waarboven fouten en onduidelijkheden in de paragraaf bedrijfsvoering worden opgenomen.
Grondslagen voor de balans
Vaste activa
Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de oorspronkelijke verkrijgingsprijs (de inkoopprijs en de
bijkomende kosten) of vervaardigingsprijs (de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de
overige directe kosten), verminderd met de ontvangen subsidies en bijdragen van derden, de jaarlijkse
afschrijvingslasten en afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen. Duurzame
waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking
genomen.
De kosten van het sluiten van geldleningen (inclusief de betaalde boeterente) en het saldo van agio en disagio
worden geactiveerd en over maximaal de looptijd van de lening volledig afgeschreven, te starten vanaf het
moment van het in gebruik nemen van het gerelateerde materieel of financieel vast actief.
Indien geen nieuwe lening wordt aangetrokken zijn de kosten van vervroegde aflossing (boeterente) niet
geactiveerd, maar als last verantwoord.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief zijn onder de volgende voorwaarden
geactiveerd:
- Het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen.
- De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast.
- Het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereert.
- De uitgaven die aan het actief toe te rekenen zijn, zijn betrouwbaar zijn vast te stellen.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden volledig afgeschreven in maximaal vijf jaar.
De onder de kosten van onderzoek en ontwikkeling geactiveerde voorbereidingskosten voor grondexploitaties
voldoen aan de volgende voorwaarden:
- de voorbereidingskosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst van bijlage IV bij het
Omgevingsbesluit; en
- de voorbereidingskosten mogen maximaal 5 jaar geactiveerd blijven staan onder de immateriële vaste
activa; na maximaal 5 jaar moeten de kosten hebben geleid tot een actieve grondexploitatie en kunnen dan worden overgeboekt naar de desbetreffende BIE, dan wel worden afgeboekt ten laste van het jaarresultaat of moet een voorziening worden getroffen; en
- plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, moeten
bestuurlijke instemming hebben, blijkend uit een raadsbesluit.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd indien aan de volgende vereisten is voldaan:
- Er is sprake van een investering door een derde.
- De investering draagt bij aan de publieke taak.
- De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals is overeengekomen.
- De bijdrage kan door de gemeente worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Op de geactiveerde bijdragen aan activa in eigendom van derden wordt afgeschreven, waarbij de
afschrijvingsduur maximaal gelijk is aan de verwachte gebruiksduur van de activa (bij derden) waarvoor de
bijdrage aan derden is verstrekt.
Materiële vaste activa
Algemeen
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
De volgende afschrijvingstermijnen, zoals ook vastgelegd in de nota activabeleid, zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 28 juni 2022, zijn van toepassing:
Gronden en terreinen n.v.t.
Gebouwen 3-40 jaar
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken, waaronder:
− riolering (aanleg, bouwkundig, elektromechanisch en gemalen) 15-60 jaar
Vervoermiddelen 7-9 jaar
Machines, apparaten en installaties 10-25 jaar
Overige materiële vaste activa, waaronder:
− inventarissen 10 jaar
− automatisering 3-5 jaar
− software 5 jaar
(Het gebruiksrecht voor onbepaalde duur op) Software is als afzonderlijk actief opgenomen onder de materiële vaste activa als investering met economisch nut.
De lasten samenhangend met de uitvoering van klein en groot onderhoud, bodemsaneringen en het baggeren van watergangen zijn niet levensduur verlengend en zijn daarom niet geactiveerd, maar direct ten laste van de exploitatie of de gevormde voorziening gebracht.
Investeringen met economisch nut
Deze materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijging- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht.
Op grondbezit met economisch nut (buiten de openbare ruimte) wordt niet afgeschreven.
Investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Wanneer investeringen grotendeels of meer worden gedaan voor riolering of het inzamelen van huishoudelijk afval, dan worden deze investeringen op de balans opgenomen in een aparte categorie: de investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.
Het uitgangspunt is dat heffingen (riool/afval) worden besteed aan de betreffende investeringen.
Investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend maatschappelijk nut
Infrastructurele werken in de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld wegen, pleinen, bruggen, viaducten en parken worden geactiveerd en gemiddeld afgeschreven in 30 jaar. De ondergrond van deze werken wordt daarbij als integraal onderdeel van het werk beschouwd (en dus ook afgeschreven). Met ingang van 2017 wordt voor nieuwe investeringen de ondergrond apart geadministreerd en wordt hierover niet afgeschreven.
Ook hier geldt dat de gevolgde afschrijvingswijze is geschied volgens de afschrijvingssystematiek en begroting van de gemeente; momenteel wordt nagenoeg alle activa lineair afgeschreven.
In erfpacht uitgegeven gronden
De erfpachtgronden zijn gewaardeerd tegen historische kostprijs.
Warme gronden
Gronden verworven met het oog op gebiedsontwikkeling, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld, worden in de regel geduid als ‘warme gronden’. Conform de notitie grondbeleid in begroting en jaarstukken (2019) worden deze verantwoord onder materiële vaste activa (artikel 52 lid 1 onderdeel a BBV) tegen de verwervingskosten. Het toerekenen (activeren) van andere kosten is daarbij niet toegestaan.
In de bepaling of er bij deze ‘warme gronden’ sprake is van een duurzame waardevermindering, zoals bedoeld in artikel 65 BBV lid 1, kan onder de volgende cumulatieve voorwaarden uitgegaan worden van de waarde in toekomstige bestemming in plaats van de geldende bestemming:
- de gronden moeten deel uitmaken van een door de gemeenteraad vastgestelde visie of masterplan voor (een) concrete en binnen afzienbare tijd te starten grondexploitatie(s), waarin de gebiedsontwikkeling van totaalplan naar deelgrondexploitaties is vastgelegd;
- de gebiedsontwikkeling mag niet zodanig conflicteren met de uitkomst van de inventarisatie van bedreigingen die de ontwikkeling in de weg kunnen staan, bijvoorbeeld op het gebied van milieu of bereikbaarheid;
- de visie / het masterplan mag niet strijdig zijn met beleid van de provincie en/of rijk;
- er is een betrokkenheid bij de gebiedsontwikkeling van provincie of rijksoverheid;
- het mag alleen gaan om gebiedsontwikkeling voor de bouw van woningen en niet voor bedrijfsterreinen;
- periodiek (minimaal eens in de 2 jaar) worden de gronden getaxeerd tegen de waarde volgens de toekomstige woningbouwbestemming, met inachtneming van de inherente onzekerheden van de ontwikkelmogelijkheden.
Financiële vaste activa
Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbare posten in mindering gebracht.
Participaties in het aandelenkapitaal van een NV of een BV (kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingsprijs zal afwaardering plaatsvinden.
De aan derden verstrekte geldleningen zijn opgenomen tegen het overdrachtsbedrag verminderd met de ontvangen aflossingen.
Vlottende activa
Voorraden
Onderhanden werk, gronden in exploitatie
Het startpunt van een grondexploitatie is het raadsbesluit met de vaststelling van het complex, inclusief grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de grondexploitatie geopend en kunnen vervaardigingskosten worden geactiveerd.
De onderhanden werken grondexploitatie zijn opgenomen tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de opbrengst wegens verkopen. Indien de boekwaarde de marktwaarde van de grond overschrijdt, wordt een afwaardering naar de lagere marktwaarde verantwoord/wordt een voorziening voor het verwachte negatieve resultaat getroffen. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten (limitatief opgesomd in de kostensoortenlijst zoals opgenomen artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening), welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs worden daarnaast een redelijk deel van de indirecte kosten opgenomen. De toegerekende rentelasten wordt bepaald door de omslagrente conform de notitie Rente van de commissie BBV.
Voor winstneming geldt de percentage of completion methode: voor zover gronden zijn verkocht en opbrengsten zijn gerealiseerd wordt tussentijds naar rato van de voortgang van de kosten en de opbrengsten winst worden genomen. Indien aan de volgende voorwaarden is voldaan, bestaat er voldoende zekerheid om winst te kunnen nemen:
- De resterende looptijd van de grondexploitatie is tien (10) jaar of minder
- Het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat; én
- De grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht; én
- De kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie gerealiseerd).
De verliezen op grondexploitaties worden voorzien zodra deze bekend zijn. De voorziening wordt gewaardeerd op contante waarde. De disconteringsvoet die is gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties is voor alle gemeenten gelijk gesteld aan het maximale meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone (voor 2025: 2%).
Gereed product en handelsgoederen
De overige voorraden worden gewaardeerd tegen historische kostprijs. Indien de marktwaarde lager is, wordt tegen marktwaarde gewaardeerd.
Uitzettingen met rentetypische looptijd korter dan één jaar
De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen.
Waardering bijstandsvorderingen
Voor de Participatiewet zijn gemeenten eigenrisicodrager ten aanzien van de bijstandsverlening. Een gevolg is dat de toekomstige ontvangsten op resterende bijstandsvorderingen geheel ten gunste van de gemeenten komen. Bij de waardering van de vorderingen per 31 december is het gemeentelijk beleid t.a.v. terugvordering, verhaal en debiteuren richtinggevend. De gemeentelijke vorderingen dienen naar reële waarden gewaardeerd te worden.
Jaarlijks dienen de bijstandsvorderingen te worden geherwaardeerd. Eventuele voor- of nadelen komen ten gunste of ten laste van de exploitatie. Per 31 december heeft de herwaardering plaatsgevonden van de bijstandsvorderingen.
Liquide middelen en overlopende activa
Deze activa worden tegen nominale waarde opgenomen.
Overlopende activa
De overlopende activa zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid is een
voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald. Onder de nog te ontvangen
bedragen zijn de gemaakte voorbereidingskosten voor faciliterende exploitatieplannen of nog te sluiten
anterieure overeenkomsten als ‘nog te verrekenen kosten’ opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
- de kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst Wro/Bro; en
- de kosten mogen maximaal 5 jaar als overige nog te ontvangen bedragen blijven staan; na maximaal 5
jaar moet het kostenverhaal zijn gerealiseerd dan wel dienen de kosten te worden afgeboekt ten laste
van het jaarresultaat; en
3. er is een besluit door de raad of het college genomen tot het maken van voorbereidingskosten voor
faciliterend grondbeleid in een aangewezen gebied voor het ontwikkelen van het exploitatieplan of tot
het sluiten van een anterieure overeenkomst.
Vaste passiva
Eigen vermogen
In het BBV worden reserves omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te
merken en die vanuit bedrijfseconomisch oogpunt vrij te besteden zijn. De vaststelling van de noodzakelijke
omvang van reserves is een zaak van de gemeenteraad. Daarom worden reserves ook wel onderverdeeld in
algemene en bestemmingsreserves. Zodra de raad aan een reserve een bepaalde bestemming heeft gegeven,
is er sprake van een bestemmingsreserve. Om die reden kunnen bestemmingsreserves naar de situatie per
ultimo verslagjaar geen negatieve stand kennen. Heeft een reserve geen bestemming dan wordt het een
algemene reserve genoemd. Mutaties in reserves zijn enkel mogelijk op basis van een raadsbesluit genomen
voor het einde van het betreffende begrotingsjaar. De reserves worden gewaardeerd tegen nominale waarde.
Voorzieningen
Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen (schulden) van de gemeente. Om die reden kunnen voorzieningen naar de situatie per ultimo verslagjaar geen negatieve stand kennen.
Voorzieningen worden gewaardeerd op het nominale bedrag van de betrokken verplichting c.q. het
voorzienbare verlies, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd
(verwacht verlies grondexploitatie, pensioenvoorziening).
Voorzieningen worden gevormd indien er sprake is van:
- Verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten.
- Op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten.
- Kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren.
- Bijdragen (spaarcomponent) aan toekomstige vervangingsinvesteringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing wordt geheven.
- Middelen verkregen van derden, die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen verkregen van Europese en Nederlandse overheidslichamen met een specifiek bestedingsdoel, die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren.
De vorming van een voorziening, dan wel een dotatie aan een reeds bestaande voorziening, is als een last in het betreffende boekjaar verantwoord. Alle aanwendingen aan voorzieningen zijn rechtstreeks ten laste van de voorziening gebracht en in het verslagjaar niet ten laste van de exploitatie verantwoord.
Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Algemene informatie over pensioenen wethouders
Het pensioen voor wethouders is geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Gemeenten hebben op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) de taak om hiervoor een toereikende voorziening te vormen.
Vanaf 1 januari 2028 gaan de pensioenen van politieke ambtsdragers over naar het nieuwe pensioenstelsel en wordt het overgedragen aan het pensioenfonds ABP, waarbij de aanwezige voorziening per 1 januari 2028 voldoende dient te zijn om de benodigde overdrachtswaarde te kunnen dekken. Nu de inwerkingtreding van de nieuwe pensioenwet een zekerheid is, zijn wij op basis van een stellige uitspraak van de Commissie BBV verplicht om de voorziening te actualiseren waarbij rekening dient te worden houden met de dekkingsgraad van het ABP, deze was ultimo 2025 123,5%. De voorziening moet tot het moment van overdracht aan het ABP jaarlijks worden herzien met als uitgangspunt de benodigde overdrachtswaarde. Dat betekent ook dat de mogelijkheid bestaat dat er, bij bijvoorbeeld een veranderde rente, levensverwachting en/of dekkingsgraad, een stijging danwel daling mogelijk is.
Voor onze huidige wethouders en oud-wethouders die op dit moment nog niet met pensioen zijn, moeten we een voorziening vormen die op termijn toereikend moet zijn om ieders pensioen te kunnen betalen. Voor de bepaling van de hoogte van deze voorziening moeten we gebruik maken van actuariële berekeningen. Hierbij is rekening gehouden met de actuele rekenrente, sterftecijfers en indexering van de pensioenen. Ten opzichte van vorig jaar is de rekenrente op basis van de circulaire van BZK verhoogd van 2,325% naar 2,954%. In de circulaire van BZK is bepaald dat de ABP-pensioenen met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd met 2,84%. Dat betekent dat ook de Appa pensioenen met ingang van 1 januari 2026 worden verhoogd met 2,84%. De indexatie is opgenomen in de waardeberekeningen. Actueel geldende sterftecijfers zijn van toepassing.
Voor de pensioenaanspraken van voormalig wethouders welke in het verleden bij ASR zijn afgekocht zijn de uitgangspunten als volgt:
Het verschil tussen de berekening gemaakt door ProAmbt (de berekeningen zijn gemaakt op basis van de uitgangspunten voor collectieve waardeoverdrachten in 2026. Wij gaan hierbij uit van de richtlijnen uit de actuarieel en bedrijfstechnische nota (ABTN) van ABP) en de berekening van ProAmbt op basis van het overzicht van het ministerie, de basis van de afkoop destijds (de berekeningen zijn gemaakt op basis van de uitgangspunten voor individuele waardeoverdrachten in 2026. Wij gaan hierbij uit van de circulaire (kenmerk 2025-0000692306) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken).
Vaste schuld met rentetypische looptijd van één jaar of langer
Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen.
De vaste schulden hebben een rentetypische looptijd van één jaar of langer. De aflossingen die binnen een jaar vervallen, worden uitsluitend in de toelichting apart vermeld.
Vlottende passiva
De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Borg- en garantstellingen
Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten de balanstelling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen.
